Beijnes

Beijnes:

Beijnes was een Nederlandse fabrikant van spoorwegwagons, railcars, trams en bussen, opgericht in 1838. Hij begon met koetsen. De fabriek werd in 1963 opgeheven.

Oprichtings- en ontwikkelingsjaren:

De timmerman Johannes Jacobus Beijnes (1814–1888) richtte in 1838 een werkplaats op als wielmaker in Haarlem. Kort daarna begon zijn jongere broer Anton, een opgeleide smid, in de ijzerinrichtingsindustrie en samen begonnen ze rijtuigen te bouwen. Het jaar daarop werd de eerste spoorlijn in Nederland geopend met behulp van Engelse kennis en materiaal. De gebroeders Beijnes, die deze markt wilden betreden, kregen in 1855 de eerste bestelling voor de levering van spoorwegpassagierswagons. Het bedrijf opereerde nu onder de naam “Fabriek van Rijtuigen en Spoorwagens J.J. Beijnes”. Het ontwikkelde zich succesvol en in 1858 bouwde het een nieuwe fabriek in Haarlem tegenover het treinstation. In 1870 verleende koning Wilhelm III het bedrijf de titel “Koninklijke” als onderdeel van de naam.

Welvaart en achteruitgang:

Na de Eerste Wereldoorlog gebruikte de Nederlandse Spoorwegen (NS) steeds meer elektrische locomotieven in het binnenlandse passagiersvervoer. Vanaf 1924 werd 259 exemplaren van de Mat ’24-serie aangeschafd. Het volume werd verdeeld over vier fabrikanten, waarvan er één Beijnes was. In de jaren 1930 werd de 120 km/u, dieselaangedreven Mat ’34-serie geproduceerd in samenwerking met andere fabrikanten. In die tijd begon Beijnes ook carrosserieën voor bussen te produceren. Bij het honderdjarig bestaan in 1938 had het bedrijf 500 werknemers in dienst. In 1950 verhuisde het bedrijf naar een nieuwe fabriek in Beverwijk, ten noorden van Haarlem. In de daaropvolgende jaren kocht de Nederlandse Spoorwegen de nieuwe Mat ’54-serie als vervanging. Beijnes was een van de leveranciers. Bestellingen voor trams, vooral meervoudige tramtreinen, brachten ook werkgelegenheid.

Van 1958 tot 1961 assembleerde Beijnes de Volvo PV544 (“Bultrug Volvo”) en Volvo Amazon (PV 121) modellen voor respectievelijk de Nederlandse en Benelux markten, en mogelijk ook het Volvo P1800 Coupé sportwagenmodel in kleine aantallen. Eerder had het bedrijf Polynorm, een autoleverancier uit Bunschoten, de voorganger Volvo PV444 al vanaf 1956 geassembleerd. De achtergrond hiervan was dat Nederland destijds een lagere invoerbelasting heftte op voertuigonderdelen dan op complete personenauto’s. In Beijnes werden ongeveer 2000 Volvo-voertuigen gebouwd van onderdelen die eerst per schip van Göteborg naar Amsterdam waren geleverd en daarna per vrachtwagen naar Beverwijk. Volvo liet het contract aflopen nadat Nederland de eerder verschillende tarieven voor 1962 had geharmoniseerd, waardoor de assemblage van geleverde onderdelen zijn kostenvoordeel verloor.

In 1959 werd Beijnes overgenomen door de Nederlandse concurrent Verenigde Machinefabrieken Stork-Werkspoor (VMF). De nieuwe eigenaar voelde zich echter genoodzaakt de fabriek in Beverwijk in 1963 te sluiten. VMF stopte op haar beurt in 1972 met de productie van spoorvoertuigen.